Met genoegen heb ik de honderden reacties gelezen op mijn vorige artikel ‘Waarom elkaar aanspreken een domme strategie is’. Onder de reacties een heleboel herkenning en dankbaarheid voor nieuwe inzichten en stof tot nadenken. Maar er waren ook veel kritische noten, ongeloof over mijn boude statement en weerstand. Want hoe kon iemand aanspreekgedrag nu een dómme strategie noemen? ‘Dit stuk van Inge Mink past zo in ‘Hoe word ik een rat”, zei iemand. Begrijpelijk, want elkaar aanspreken een domme strategie vinden, dat druist in tegen onze normen en waarden over eerlijkheid en oprechtheid.

In dit vervolgartikel ga ik in op de interessante en leerzame reacties die ik heb gelezen. Zie dit artikel dus ook als aanvulling op het voorgaande. Ik ben benieuwd wat jouw gedachten erover zijn, dus laat je lezen!

What’s in the name.

Als je artikelen schrijft, dan kom je er al snel achter dat de woordkeuze bepaalt of mensen verrast zijn en uit hun tent komen, of dat je artikel ongezien in de vergetelheid belandt. Dat is gelukt. ‘Dom’ heeft natuurlijk een veroordelende lading en daar houden we niet van. En de aansprekers onder ons ‘dom’ noemen is natuurlijk absoluut niet terecht. Als je door de bril van evolutie kijkt, blijft het woordje ‘Dom’ echter nog steeds overeind. Want iemand aanspreken ís een domme strategie als dit je kans op overleving en voortplanting verkleint. Evolutie gaat nu eenmaal zo te werk, en het zal haar worst wezen wat wij daarvan vinden.

Dus toch weer even terug naar die evolutietheorie.

Er werd soms wat stekelig gereageerd over het gebruiken van evolutie als onderbouwing van mijn statements. Toch kunnen we er niet omheen. Als je je steeds verder verdiept in de vraag ‘Waarom doen wij wat we doen?’, dan kom je vroeger of later uit bij evolutionaire antwoorden. Want uiteindelijk is evolutie het proces waarin bepaald wordt welk gedrag in een diersoort blijft bestaan en welk gedrag verdwijnt. Het proces is simpel doch doeltreffend: Zet een diersoort in een bepaalde omgeving en de exemplaren die zich het beste op deze omgeving aanpassen, zullen overleven. Slimme strategieën worden overgeleverd op de volgende generatie, omdat deze exemplaren de kans krijgen om zich voort te planten. Domme strategieën doven uit omdat de uitvoerders ervan het onderspit delven.

De evolutietheorie is daarmee een theorie die zich richt op het individu. Hoe kan een individu zijn kansen op zelfbehoud maximaal vergroten om de mogelijkheid te krijgen om zijn genen door te geven? In dit kader is ‘de ander aanspreken’ voor het individu een domme strategie. Simpelweg omdat dit gedrag de kansen vergroot dat hij zijn eigen positie in de groep ondermijnt en daarmee zijn overlevingskansen en voortplantingskansen op het spel zet. Wij stammen af van de mensen die zich hebben weten te handhaven en zich hebben voortgeplant: Elkaar aanspreken is met deze voorouders dus zeker geen vanzelfsprekendheid; we kiezen liever andere -minder bedreigende- strategieën.

Éen van die minder bedreigende strategieën voor het individu is roddelen. Roddelen vinden wij verwerpelijk gedrag, maar dit gedrag heeft in onze ontwikkeling als soort juist grote overlevingswaarde. Roddelen levert voor het individu namelijk op heel veel manieren veiligheid en status op. Het is niet voor niets dat we het roddelen niet uit kunnen bannen. Daarvoor is het veel te belangrijk voor ons.

Aanspreken houdt instinctief het label ‘Doe maar niet’ in ons hoofd.

Hoewel wij zeggen dat we aanspreekgedrag in het dagelijkse leven normaal en gewenst gedrag vinden, levert de externe aanmoediging van aanspreekgedrag bij ons allerlei instinctieve remmingen en alarmbellen op. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan vaardigheden, verlegenheid of iets anders waar we de persoon in kwestie verantwoordelijk voor kunnen houden. Het is het stemmetje van vroegere tijden die zegt: ‘Zou je dat nou wel doen? Wat nou als je deze persoon nog nodig hebt?’ (Probeer eens goed te luisteren naar de redenen die mensen geven om iemand toch niet ergens op aan te spreken terwijl ze dat eigenlijk wel van plan waren).

Dit stemmetje kun je niet zomaar weg-CGT (Cognitieve Gedrags Therapie) -en, door er een andere overtuiging voor in de plaats te leren zetten. De sporen van evolutie zitten veel, veel dieper in ons onderbewuste brein en ze bepalen nog steeds buiten ons bewustzijn het gros van ons sociale gedrag. Kun je die oeroude sporen eruit trainen of eruit leren denken? Ga er maar aan staan met je leerdoelen en 8 weekse stappenplan. Na de cursus, training of sessie keer je terug naar je dagelijkse oude omgeving en die neemt dan moeiteloos het stokje weer over als onbewuste dirigent van jouw sociale gedrag. Onze aannames over de leerbaarheid van sociaal gedrag berusten op een fundamentele attributiefout: In dit artikel lees je er meer over.

‘Heeft aanspreken geen overlevingswaarde? Natuurlijk wel, de groep wordt er veiliger/beter van!’

Dat klopt. En zo zijn er nog heel wat andere scenario’s waarin men zich voor het groepsbelang zou moeten inzetten, maar dat niet doet als zijn eigen belangen teveel op het spel staan. Denk maar aan het klimaatprobleem. Wie van ons is nu écht bereid om iets van zijn luxe leven in te leveren om het milieu te sparen? De overgrote meerderheid van ons gaat zo ver tot we er nadeel van ondervinden, of het ons geld kost. En daarna hopen we dat de buurman of de overheid het stokje overneemt. Het is een klassiek voorbeeld van een sociaal dilemma. Niets om ons voor te schamen, wel goed om het bestaan ervan te kennen én te weten dat dit dilemma uniek voor de mens is. Andere dieren hebben er veel minder last van, omdat ze groepen vormen vanuit verwantschap. En dan is het niet erg om jouw belang te offeren voor de rest. Want jouw genen leven door in je broers, zussen, ooms, tantes, neefjes en nichtjes die profiteren van jouw offer voor de groep.

Maar deze verwantschap geldt niet in onze mensengroepen (je familie vormt de uitzondering; daar is jouw bereidheid voor het maken van offers voor het groepsbelang doorgaans ook vele malen groter). Daarom is het ook verre van vanzelfsprekend dat we op het werk onze eigen veiligheid of positie in de waagschaal leggen voor het groepsbelang. Het is altijd fijn als jouw collega de verstokte laatkomer aanspreekt, want hij loopt dan het risico op gedoe, terwijl jij meeprofiteert als je eindelijk niet meer dagelijks een half uur van je tijd aan een lege overlegtafel zit te verspillen. Als het puntje bij paaltje komt, dan maak je een interne rekensom: Wat gaat het gedoe van iemand aanspreken mij opleveren? Het hangt heel sterk van omgevingsfactoren af of je onderaan de streep een positieve uitkomst hebt. In al die andere gevallen kiezen mensen eerder vroeger dan later eieren voor hun geld. Niet in de laatste plaats omdat de verkeerde persoon aanspreken in de verkeerde omgeving vergaande negatieve consequenties kan hebben. Dat is geen ‘hoe word ik een rat’- mentaliteit, dat is pure common sense.

Maar welke rekensom maken we dan?

No alt text provided for this image

Als ik in bedrijven workshops geef over groepsgedrag dan gebruik ik de Winst-Verlies rekening van gedrag als denkkader om de motivatie voor (of de weerstand tegen) gewenst gedrag beter te begrijpen (zie foto).

Als er een gedragsverandering wordt verwacht; dan maakt ieder individu zijn eigen rekensom:

  1. Wordt mijn status of veiligheid in de groep er beter of slechter van?
  2. Is het gedrag voor mij nuttig of niet?

Hoe groter de gevoelde bedreiging voor de eigen status en veiligheid, hoe hoger het persoonlijke nut moet zijn om het gedrag toch uit te voeren.

Aanspreken is in zichzelf al onveilig gedrag (tenzij je niet zo afhankelijk bent van de aangesprokene, dat scheelt een hoop). Dus het gevoelde persoonlijke nut of de noodzaak moet hoog zijn om het toch te doen. Het is dus begrijpelijk (en heel fijn!) dat mensen in potentieel gevaarlijke situaties toch sneller hun mond open trekken, maar dat is geen garantie. Als bijvoorbeeld in een ziekenhuis het aanspreken van een hoger geplaatste nare consequenties kan hebben, dan zal het zeker gebeuren dat mensen ook in (potentieel) gevaarlijke situaties vaker hun mond houden terwijl ze eigenlijk vinden dat ze er wat van hadden moeten zeggen. Het is soms een hels dilemma en de gewetensnood die hieruit volgt kan letterlijk ziekmakend zijn.

Ook al heb je bij het bovenste gedeelte van de rekensom een + gescoord (en heb je dus wel de intentie om het gedrag uit te voeren), dat wil nog niet zeggen dat je het dan ook doet. Als het bedrijf geen goede kaders (= context) biedt om aansprekers te beschermen, of als mensen die worden aangesproken er hun schouders over op kunnen halen zonder consequenties, dan zal het gedrag na enkele vergeefse pogingen uitdoven (= uitkomst onderste rekensom). Elkaar aanspreken heeft dus bijzonder weinig te maken met het vinden van de juiste gesprekvorm, het gedrag hangt hoofdzakelijk af van de context waar het individu zich in bevindt.

Aanspreken zegt niets over de persoonlijke normen en waarden van een groepslid.

Op mijn vorige artikel kwam uit meerdere hoeken reacties van mensen die aanspreekgedrag zagen als een hogere waarde, waarbij de eigen successen hierin als voorbeeld dienden hoe het wel zou kunnen slagen.

Dit impliceert dat elkaar aanspreken vooral een kwestie van een keuze is en dat de keuze om het niet te doen maakt dat je:

  1. Gewoon nog niet genoeg kaas hebt gegeten van hoe het moet (geweldloos, altijd in de ík-vorm, met wederzijds respect, er valt nog zo-veel te leren..!)
  2. Jouw normen en waarden op dat vlak kennelijk een standje lager staan (oftewel; ‘lekker egocentrisch, hoor.’).

In mijn ogen onderschatten deze mensen de invloed van de context op hun gedrag en schrijven ze onterecht te veel van hun ‘succesvolle aanspreekgedrag’ toe aan hun eigen bewuste controle hierover (dit fenomeen staat in de psychologie bekend als de ‘self serving bias‘). Mensen die in de ene context zich vrij voelen om een ander ergens op aan te spreken, houden in een ander bedrijf (met andere medewerkers en andere bazen en ander beleid) hun mond óf zoeken vanwege toenemende spanningen rondom hun aanspreekgedrag (wat vroeger toch altijd heel goed viel….) hun heil elders. Dat heeft niets met normen en waarden te maken, maar met het feit dat het al of niet aanspreken slechts een uitkomst is van een zeer contextafhankelijke rekensom.

Maar wat heeft die wederzijdse afhankelijkheid hier dan mee te maken?

No alt text provided for this image

De mate van wederzijdse afhankelijkheid bepaalt sterk de uitkomst van de bovenste rekensom.

Hoe afhankelijker we van elkaar zijn, hoe veiliger we ons voelen in elkaars bijzijn. Want alleen onder die omstandigheden kun je het Tit for Tat- spel spelen, waar we instinctief meester in zijn. Jij doet wat voor mij, ik doe wat voor jou. Ik spreek jou soms aan en jij spreekt mij soms aan. Ik pas me vandaag aan jouw behoeften aan, dan doe jij dat morgen voor mij. Het ‘stevige bedje van vertrouwen’ waar een commmentator het over had gaat over dit ‘Tit for Tat’-principe. Vertrouwen is niet iets waar we samen voor kunnen kiezen, het is een gevolg van de omstandigheden waar we ons in bevinden. Als we van elkaar afhankelijk zijn, dan komt vertrouwen vanzelf. Als die afhankelijkheid maar één kant op gaat, dan krijg je wantrouwen cadeau (ik heb dit nader uitgelegd in mijn artikel over wantrouwen).

Draai het om.

In veel content over aanspreken en feedback wordt vaak veel woorden vuilgemaakt aan hóe je dit het beste zou kunnen doen. Ergens achteraan wordt dan wel genoemd dat dit alleen kan in een veilige omgeving, terwijl dit dan verder onbesproken blijft. Ik draai het om. Wederzijdse afhankelijkheid zorgt voor die veilige omgeving. Het hóe van het aanspreken ontstaat daarna vanzelf, daar heb je geen tutorial voor nodig. Want of je nu met directe taal of met zijden handschoentjes communiceert… iedere groep mensen heeft haar eigen voorkeuren en het kan allebei even effectief zijn. Zolang je maar afhankelijk van elkaar bent kom het ‘hóe doen we dat’ wel op haar pootjes.

En daarmee komt in een context van wederzijdse afhankelijkheid de bovenste rekensom van de ‘winst – en verliesrekening van gedrag’ veel gemakkelijker op een + uit. Dit maakt de drempel veel minder hoog om je mond open te trekken. Daarbij geldt: bij wederzijdse afhankelijkheid zullen we elkaar helemaal niet zo vaak hoeven aanspreken, omdat we in die omstandigheden veel meer noodzaak voelen om onszelf aan de ander aan te passen dan wanneer we de ander niet nodig (denken te) hebben. Afspraak is veel sneller afspraak als we afhankelijkheid voelen naar elkaar. En dat is voor de doorsnee mens een grote opluchting.

Conclusie: All you need is…. wederzijdse afhankelijkheid.

Als bestuurder kun je flink in je maag zitten met ongewenst gedrag in jouw organisatie (of een gebrek aan gewenst gedrag). En alle adviezen over wat je eraan kunt doen kunnen zomaar maken dat je tussen de bomen het bos niet meer ziet. Je kunt verleid worden om gedrag actief bij te sturen met trainingen, coachtrajecten en het verkondigen van de aanspreekcultuur. Mijn voorspelling: ze zullen je niet brengen wat je zoekt en je hebt ze niet nodig.

Ga daarentegen aan de slag met de vraag: ‘Hoe kan ik iedereen (ja, dus ook het eigen bestuur) in mijn organisatie zo afhankelijk mogelijk maken van elkaar?’ (Tip: lees ook het artikel over psychologische veiligheid in organisaties). En dat is al moeilijk genoeg, want een simpel antwoord is er zeker niet. Ieder bedrijf en iedere branche heeft daar haar eigen uitdagingen in. Maar het geeft wel richting aan een eerlijke zoektocht waar je de hele organisatie in kunt betrekken. En je hoeft niet meteen het juiste antwoord te vinden, ook dat doe je samen met vallen en opstaan.

Meer informatie?

In het onderstaande filmpje licht ik toe hoe je op 3 niveaus kunt werken aan meer wederzijdse afhankelijkheid in jouw organisatie. In het vorige artikel heb ik reeds een uitgebreide noot toegevoegd over literatuur die je kunt lezen of de gratis e-books die je kunt downloaden van mijn site. In september gaat weer een 1-daags training van start als je je verder wil verdiepen in groepsgedrag en wederzijdse afhankelijkheid en samen met gelijkgestemden met casuïstiek aan de slag wilt gaan. Voor bedrijven verzorg ik op maat gemaakte incompany-workshops. En als je gewoon een vraag hebt of jouw specifieke vraagstuk aan me wilt voorleggen: bellen kan altijd: 06-14291297.

De podcast is nog in de maak: over een paar weken kun je mijn hersenspinsels ook in de auto beluisteren.